Wie profiteerde van 500 overheidspercelen? Stichting eist parlementaire enquête

WILLEMSTAD – Fundashon E Hende (FEH) vraagt de Staten om een parlementaire enquête naar FKP en FFP. De stichting heeft beschuldigingen over volkshuisvesting, overheidsmiljoenen, belastingen, hypotheken en de verkoop van landswoningen.
FEH heeft drie afzonderlijke brieven gestuurd aan onder meer de Staten, de regering, de gouverneur, de Ombudsman en de Algemene Rekenkamer. Het formele verzoek om een parlementaire enquête richt zich specifiek op FKP en FFP. FEH vraagt ook onderzoek naar de mogelijke uitgifte van 500 overheidsterreinen aan één gegadigde. Dat verzoek staat in een afzonderlijke brief.
Een deel van de omstandigheden waarop FEH wijst, is terug te vinden in officiële stukken. Andere zware aantijgingen zijn vooralsnog niet met onderliggende documenten aangetoond. Op één onderdeel blijkt de wet bovendien anders te luiden dan FEH stelt. Juist een parlementair onderzoek zou duidelijk kunnen maken wat feit is en wat niet.
Volgens de stichting zijn er grote financiële belangen voor burgers, risico’s voor de volkshuisvesting en onvoldoende institutioneel toezicht.
In een afzonderlijke brief behandelt FEH het gronddossier. De stichting vraagt de Staten om een openbare hoorzitting over de mogelijke uitgifte van 500 percelen, de Ombudsman om onderzoek naar behoorlijk bestuur, de Rekenkamer om onderzoek naar rechtmatigheid en doelmatigheid, en de regering om een reconstructie van de besluitvorming.
Een parlementaire enquête ontstaat niet automatisch door het verzoek van FEH. De Staten moeten zelf besluiten zo’n onderzoek in te stellen en bepalen daarbij nauwkeurig wat wordt onderzocht. Een enquêtecommissie kan vervolgens getuigen en deskundigen horen.
De 12 miljoen gulden staat vast
Een van de belangrijkste kwesties die FEH onderzocht wil zien, is de jaarlijkse bijdrage van het Land aan FKP. De stichting spreekt over twaalf miljoen gulden voor onderhoud van landswoningen en huursubsidie en vraagt wat daartegenover daadwerkelijk is geleverd.
Dat bedrag zelf staat buiten twijfel. In de Financiële Managementrapportage juni 2022 schrijft het ministerie van Financiën dat de Staten een beheersovereenkomst tussen het Land en FKP hebben goedgekeurd en dat die overeenkomst inmiddels was ondertekend. FKP ontvangt daarin jaarlijks twaalf miljoen gulden: vijf miljoen voor het beheer van woningen die eigendom zijn van het Land en zeven miljoen voor huursubsidie.
Dat maakt de formulering van FEH dat het geld zonder enige wederzijdse verantwoordelijkheid zou worden verstrekt te absoluut. Er bestaat immers een formele beheersovereenkomst. De cruciale vraag is wat daarin precies aan prestaties, onderhoud, controle en verantwoording is vastgelegd en of die afspraken ook zijn nagekomen.
FEH stelt dat bewoners tegelijkertijd huurverhogingen en andere bedragen moeten betalen, terwijl het Land al voor beheer en huursubsidie betaalt. De stichting spreekt daarom van dubbele vorderingen en wijst daarnaast op achterstallig onderhoud. Uit de door FEH verstrekte stukken blijkt echter niet dat die twaalf miljoen gulden daadwerkelijk nog eens bij de bewoners is geïnd. Daarvoor moeten de beheersovereenkomst, de administratie van FKP en individuele huurafrekeningen naast elkaar worden gelegd.
Eigendom landswoningen jaren onduidelijk
Dat er ook binnen de overheid onduidelijkheden rond het woningbestand bestaan, blijkt uit financiële rapportages van het Land.
SOAB kreeg opdracht om de economische en juridische eigendom van woningen in beheer van FKP vast te stellen. Uit de Financiële Managementrapportage september 2024 blijkt dat SOAB daarover op 11 mei 2023 een memo had opgeleverd aan VVRP. Die memo werd pas in juli 2024 via de minister van VVRP naar Financiën gestuurd. In de rapportage stond het traject nog op „wacht op controle" en werden nog geen concrete resultaten vermeld.
Dat is voor een eventuele enquête relevant: niet alleen FEH stelt vragen over de landswoningen, ook de overheid heeft jarenlang laten onderzoeken wie van de door FKP beheerde woningen juridisch en economisch eigenaar is.
FKP zou omzetbelasting onterecht hebben gevorderd
De financiële beschuldigingen van FEH gaan veel verder. Volgens de stichting heeft FKP bij klanten omzetbelasting met terugwerkende kracht tot het jaar 2000 gevorderd. FEH zegt dat een Hofuitspraak uit 2023 deze vordering heeft afgewezen en terugbetaling met wettelijke rente heeft bevolen.
FEH noemt in die brief echter geen zaaknummer of ECLI van dat vonnis. Daardoor is op basis van het overgelegde document niet te controleren welke uitspraak wordt bedoeld en of daaruit inderdaad volgt dat alle FKP-klanten recht op terugbetaling hebben.
Hetzelfde probleem speelt bij de zogenoemde gebruiksbelasting. FEH zegt dat de Ontvanger heeft bevestigd dat die heffing onrechtmatig is en dat de geïnde bedragen niet in de Landskas terechtkomen. De schriftelijke verklaring van de Ontvanger waarop FEH zich beroept, zit echter niet bij de stukken.
Dat zijn dus potentieel zeer belangrijke beweringen, maar de primaire bewijzen ontbreken nog. Een onderzoek zou het betreffende Hofvonnis, de correspondentie met de Ontvanger en de administratie van de geïnde bedragen boven tafel moeten krijgen.
Niet automatisch recht op koop na twee jaar
Op een ander onderdeel blijkt de juridische conclusie van FEH niet te volgen uit de wet.
FEH stelt dat landswoningen volgens de wet na twee jaar aan de aspirant-kopers hadden moeten worden verkocht. De stichting redeneert vervolgens dat bewoners die twintig jaar huur hebben betaald hun woning in feite al hebben afbetaald.
De officiële Landsverordening eigendomsverkrijging volkswoningen Curaçao zegt echter iets anders. Artikel 2 bepaalt dat een volkswoning op verzoek van de huurder kan worden verkocht. Artikel 3 bepaalt vervolgens dat zo’n verzoek alleen kan worden ingewilligd wanneer de huurder onder meer ten minste twee jaar onafgebroken huurder is en geen huurachterstand heeft. De tweejaarstermijn is dus een voorwaarde om voor verkoop in aanmerking te komen, niet een verplichting voor het Land om iedere woning na twee jaar te verkopen.
Hypotheek en verzekering zijn op zichzelf niet verboden
Ook de beschuldigingen rond hypotheken vragen daarom om onderscheid tussen de constructie zelf en de manier waarop die mogelijk is uitgevoerd.
FEH stelt dat bewoners worden gedwongen om betwiste bedragen via een nieuwe hypotheek te financieren. Maar een hypotheekconstructie is in de volkswoningenwet juist uitdrukkelijk voorzien. Het Land kan de koper een lening verstrekken, die in maximaal twintig jaar wordt terugbetaald. Als zekerheid krijgt het Land een eerste hypotheek op de woning en het erfpachtrecht.
De relevante onderzoeksvraag is daardoor welke bedragen in die hypotheekschuld zijn opgenomen. Als daarin inderdaad belastingen, rente of andere bedragen zijn verwerkt die niet verschuldigd waren, is dat iets anders dan het enkele bestaan van een hypotheek.
Ook de verzekeringen waarover FEH klaagt zijn op zichzelf wettelijk voorzien. De stichting zegt dat namens kopers verzekeringen bij Ennia zijn afgesloten waarvoor jarenlang premies werden betaald zonder dat bewoners de polissen kregen.
De landsverordening verplicht een koper met een lening van het Land echter tot een overlijdensverzekering en een verzekering van de woning bij een door de minister goedgekeurde verzekeraar. Opvallend is bovendien dat de wet expliciet bepaalt dat de polissen totdat de lening is afgelost bij het ministerie van SOAW worden bewaard.
Daarmee is het niet beschikken over de originele polis op zichzelf geen bewijs van een onregelmatigheid. Wel blijven vragen over: bestond voor iedere betaler daadwerkelijk een verzekering, was Ennia goedgekeurd, hoeveel premie werd geïnd en is dat geld ook bij de verzekeraar terechtgekomen?
De 500 percelen: nog geen bewijs voor één gegadigde
Het grondendossier van FEH bevat eveneens een zwaar verwijt. De stichting schrijft „voor zover ons bekend" dat een voormalige VVRP-minister 500 percelen heeft uitgegeven zonder openbare aankondiging, aanbesteding, gepubliceerde objectieve criteria of motivering voor een één-op-ééntoewijzing. Volgens FEH zou een publiek-private samenwerking, een PPP, daarbij als rechtvaardiging zijn gebruikt.
Maar FEH noemt in de brief niet de voormalige minister, de begunstigde, de 500 kadastrale percelen of de besluiten waarmee die zouden zijn uitgegeven.
Openbare regeringsinformatie laat wel zien dat er in 2019 twee grote PPP-overeenkomsten voor telkens 500 woningen zijn gesloten.
Op 14 mei 2019 tekende toenmalig VVRP-minister Zita Jesus-Leito met Eigen Woning Plan een overeenkomst voor de bouw van 500 woningen in zes wijken. Dat staat nog altijd op de officiële website van de Curaçaose regering.
In november 2019 tekende Jesus-Leito ook met Dusron Bouwbedrijf een overeenkomst voor 500 woningen in Weto, Sapaté Noord, Rooi Santu en Kirindongo Abou. Een reproductie van het toenmalige VVRP-bericht vermeldt bovendien expliciet hoe de constructie moest werken: het Land stelde de grond beschikbaar, de private ontwikkelaar maakte het terrein bouwrijp en bouwde de woning en daarna zou het Land het afzonderlijke terrein in erfpacht geven aan de klant.
Dat is juridisch iets anders dan 500 erfpachtpercelen aan één ontwikkelaar geven.
De openbare stukken bevestigen dus dat één private partij binnen een PPP voor honderden woningen werd ingeschakeld, maar niet de concrete beschuldiging van FEH dat 500 erfpachtrechten aan één gegadigde zijn verstrekt. Bovendien is nog niet duidelijk of FEH überhaupt op EWP of Dusron doelt.
Ombudsman: klachtbehandeling erfpacht doorgaans niet behoorlijk
Dat betekent niet dat de vragen over de selectie van private partijen en de verdeling van overheidsgrond irrelevant zijn.
De Ombudsman van Curaçao onderzocht de behandeling van klachten over de uitgifte van domeingrond voor woningbouw. De Ombudsman stelt dat de overheid objectieve, toetsbare en redelijke criteria nodig heeft zodat burgers gelijke kansen krijgen om naar schaarse domeingrond mee te dingen. In het rapport wordt het Didam-arrest uitdrukkelijk besproken en concludeert de Ombudsman dat het juridische kader ook betrekking heeft op verhuur en uitgifte in erfpacht. Ook transacties van vóór het eerste Didam-arrest uit 2021 zijn volgens de Ombudsman niet automatisch buiten dat kader geplaatst.
Het rapport bevat daarnaast stevige bevindingen over VVRP zelf. De minister reageerde ondanks drie herinneringen niet op de vragen van de Ombudsman. In nagenoeg alle zaken die uiteindelijk met een onderzoeksrapport werden afgesloten, werd de klacht van de burger gegrond verklaard. De hoofdconclusie is dat de klachtbehandeling rond erfpachtuitgifte tussen 2020 en 2024 doorgaans niet behoorlijk is verlopen.
De Hoge Raad heeft in het tweede Didam-arrest uit 2024 bovendien verduidelijkt dat een overeenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten niet automatisch ongeldig is. Wel kan de overheid onrechtmatig hebben gehandeld en schadeplichtig zijn.
Pas wanneer die onderliggende stukken op tafel liggen, kan worden vastgesteld welke beschuldigingen van FEH overeind blijven — en welke niet.





































